Rotorua

De ene lichting bezoek heeft nog maar koud ons landje verlaten of de andere staat alweer op de stoep. Vorige week is de broer van mijn man gearriveerd.

Mijn schone broer is hier voor de eerste keer. Hij had even een duwtje in z’n rug nodig. Nou ja even… we hebben hem jarenlang aan zijn hoofd lopen zeuren. Uiteindelijk is hij overstag gegaan en is hij naar Nieuw-Zeeland gevlo­gen, onder de vleugels van z’n ouders.

Al weken van tevoren zit hij te beven als een rietje; hij heeft namelijk nog nooit van z’n leven in een vliegtuig gezeten. Hij gaat meteen naar het andere eind van de wereld. Een paar dagen van te voren probeer ik hem via een appje wat moed in te spreken. Ik maak er een grapje van en zeg dat hij één groot voordeel heeft: enórm veel tijd om te wennen, want verder en langer vliegen kun je niet!

Al een paar maanden geleden heb ik een motel voor ons zevenen geboekt in Rotorua; een geweldig geothermisch gebied. Deze bijzondere plek is ongeveer drie en half uur rijden hier vandaan. Daar draaien wij onze hand niet voor om. Ik heb makkelijk praten natuurlijk, ik hoef niet te rijden. Voor de geïnteresseerden onder ons verwijs ik hiervoor naar ‘Droomauto’. Daarin doe ik uitvoerig uit de doeken waarom ik gewoon op de bijrijders stoel neer plof. Kaartlezen hoef ik gelukkig allang niet meer, want daar­voor hebben we Apple Maps.

Voor m’n schoonouders heb ik een auto gehuurd. M’n schoonvader heeft wat moeite met het gaspedaal vinden. Onderweg wordt daarom gewisseld van bestuurder. M’n schoonmoeder heeft gelukkig wat meer lood in haar schoenen en zij verblijft gedurende de rest van de rit beeldvullend in de achteruitkijkspiegel. Ik noem haar (bijna) bumperklever.

De bijnaam voor Rotorua is Sulphur City, het ruikt er naar rotte eieren. Wij vinden dat niet erg. Het stinkt naar vakantie; naar alle vreemde, kleurrijke, mooie geother­mische activiteiten die ons te wachten staan.

Voor het ophalen van onze familie op het vliegveld hadden wij de bus van onze vriend geleend. Om hem te bedanken heb ik Tuatara, zijn lievelingsbier gekocht. Vandaag ga ik dat even bezorgen bij zijn vrouw. Ik neem m’n zwager mee.

Hij maakt kennis met mijn vriendin. Het ijs is meteen gebroken. ‘Wat lijk jij op de Munnik,’ (van de welbekende Nederlandse band met Acda) zegt ze als we binnenkomen. Ze is een heerlijk bourgondisch mens, een Nederlandse, opgegroeid in Frankrijk.

Ineens zie ik het broertje van mijn man veranderen… hij voelt zich reuze op zijn gemak bij haar. Zij gaat fantastisch met hem om en vindt dat zijn humor op die van m’n man lijkt. ‘Heeft hij zeker van jou,’ zegt ze. Ze zet een kopje koffie en serveert ons er een stroopwafel bij. Mijn zwager zit zó te kletsen dat ze zegt: ‘Ga je alleen maar naar die wafel kijken of ga je hem ook opeten?’ Hij hapt gretig in de Nederlandse lekkernij.

‘Waar ben je van ‘t weekend geweest?’ vraagt ze.

Ik weet niet wat ze met hem doet, maar hij komt helemaal los. Hij kan niet meer zo goed op de naam Rotorua komen, dus het wordt: ‘Die plaats waar het zo stinkt, naar rotte eieren en scheten,’ ofwel ‘pardonnetjes’, zoals hij ze noemt. ‘Er zijn daar gifgroene en gele meren en modder­poelen,’ zo vertelt hij enthousiast. ‘Het leek wel ploppende poep! En er was ook nog een soort schilderspalet, met heel fel oranje en geel. En er was ook nog een geiser. Die was zó mooi, met ál dat water dat omhoog spoot. Ik heb er geloof ik wel dertig of veertig of misschien nog wel meer foto’s van gemaakt.’

Ik zit met stomme verbazing te luisteren… hij ratelt meer dan hij de afgelopen dagen heeft gedaan.

Eén ding is zeker, hij vertelt het op z’n Rotorua’s: in geuren en kleuren.