Over aardige mensen

IMG_1437.jpgNieuw-Zeeland is een gastvrij en relaxed land. Bijna iedereen is beleefd en vriendelijk, Kiwi’s zullen niet zo gauw onaardig zijn uit angst iemand voor het hoofd te stoten.

Ook heb ik proefondervindelijk vastgesteld dat er niets aan te merken is op de Nieuw-Zeelandse gezondheidszorg. Toen onze dochter enige jaren geleden scoliose ontwikkelde, hebben de desbetreffende specialisten, artsen, secretaresses en verpleegsters mij altijd even vriendelijk te woord gestaan. Zelfs toen ik bijna elke dag aan de telefoon hing om te vragen wanneer de spinal fusion plaats zou vinden. Ze moeten vaker dan eens gedacht hebben: Daar hèb je die Dwingende Dutchie weer.

Gelukkig hebben de heren operateurs in het privé ziekenhuis in Wellington haar ruggengraat weer mooi recht gekregen. Dit met behulp van een bot transplantatie en een lading metaal waar je U tegen zegt en waarbij ze nooit meer zonder alarmbellen door de douane bij het vliegveld komt.

Maar hiermee waren haar problemen nog niet voorbij. Ze ontwikkelde een hartritme-stoornis waarvoor ze enige weken geleden een ablatie onderging. Wederom in Wellington.

Onze hoofdstad ligt een paar honderd kilometer bij onze woonplaats vandaan. We herinnerden ons dat we via het ziekenhuis benzinebonnen kunnen claimen. Ik ga naarstig op zoek en vind een formulier met de naam van de betreffende persoon, maar geen telefoon nummer of locatie. Ik besluit gewoon naar het ziekenhuis te gaan en aan de balie te vragen waar ik wezen moet.

De receptie is onbemand, maar er loopt wel een vriendelijke vrijwilliger rond die mij vraagt waar ik naar op zoek ben. Vicky van Vervoer, vertel ik hem. Ah, zegt hij, dan moet je volgens mij op de tweede verdieping zijn en moet je het daar maar even verder vragen … Ik krijg nog een alleraardigst klopje op m’n arm als ik weg loop.

Ik ga met de trap, ik heb een hekel aan liften. Aan de balie van desbetreffende afdeling vraag ik netjes waar ik moet zijn en word naar de kamer erachter verwezen. Ik klop keurig op de openstaande deur. Met een priemende vinger word ik naar de gang verwezen waar ik plaats kan nemen op een stoeltje totdat Vrouwe Vervoer zover is. Ik heb bijna de neiging om voor de grap al buigend weg te lopen. Na een poosje mag ik binnenkomen. Ik ben goed voorbereid, denk ik zelf, ik heb immers al het papierwerk van de betreffende afspraken bij me. Daarin vergis ik me, ik krijg een fikse uitbrander van Vinnige Vicky. Ik had een telefonische afspraak moeten maken. Ik was allang blij dat ik de naam van dat mens nog ergens had! Of ik over een uurtje of anderhalf terug wil komen, ze moet àl het administratiewerk gaan doen. ‘Tot straks,’ zeg ik met een allervriendelijkste glimlach, alhoewel Vicky mij allerminst in vervoering brengt.

Om de tijd te overbruggen ga ik boodschappen doen en daarna op naar het ziekenhuis maar weer. Opnieuw staat de deur wagenwijd open. Het ziet er uitnodigend uit, maar ik weet inmiddels beter. Ik durf niet meer te kloppen, maar moet toch op een of andere manier mijn aanwezigheid aan haar kenbaar maken en dus zeg ik heel zachtjes: ‘knock knock’. Wederom word ik met een vernietigende blik naar de stoeltjes verwezen. Ze is zo klaar, zegt ze. Als ik binnenkom moet ik maar liefst één heel voorbedrukt formulier ondertekenen waar ze alleen mijn naam, het bedrag en de data van de afspraken in Wellington heeft moeten invullen … Maar het is toch mooi een vergoeding van 340 dollar. Als ik de bonnen in ontvangst neem zegt ze met een gezicht alsof ze het verdorie uit haar eigen zak moet betalen tegen me dat als ik de volgende weer benzinegeld kom innen haar van te voren moet verwittigen. Ik wil haar net vertellen dat ik hoop dat we niet meer naar Wellington hoeven, althans niet meer naar het ziekenhuis. Ik krijg de kans niet eens. Bedillerig spoort ze me aan haar nummer op te schrijven. Wat een intens onaardig mens is dit. Totaal onrepresentatief voor de gemiddelde Kiwi.

Terwijl de rillingen over mijn ruggegraat lopen en ik gedwee (ik durf niet te weigeren) haar telefoonnummer noteer, hoop ik met heel mijn hart dat ik deze Kattige Kiwi noooooit meer hoef te zien …

Luksel

Ik heb een heerlijke dochter, ze heeft zo veel talenten. Onder andere het bakken van pannenkoeken, die ze dan ook regelmatig op tafel tovert. Míjn eerste pannenkoek mislukt altijd … die verdwijnt gevoeglijk in de prullenbak.

Dochterlief is super geordend, in tegenstelling tot ondergetekende. Het bakken gaat haar makkelijk af. Het is dan ook een science waarbij je alles precies moet af meten, pas dàn lukt het. Ik ben niet zo secuur, ik geef het ruiterlijk toe.

Waar ik misprijzend neerkijk op mijn misbaksels kijkt zij vol trots naar haar keurig gelukte creaties. Het enige ding dat lukt, mijn zogeheten luksel, is een appeltaart naar grootmoeders recept. Daar is gelukkig niets op aan te merken.

Instructies, ik ben er niet zo’n volger van. Als ik ga koken, volg ik mijn gevoel. De vriezer en koelkast worden opengetrokken en ik bedenk ter plekke wat ik ga combineren. Een beetje van dit, een beetje van dat. Een boodschappenlijstje? Daar voel ik niets voor. Eenmaal in de winkel bekijk ik wel wat er in de aanbieding is en dan we verzinnen we daar wel wat omheen. Ik volg weleens een recept, maar ik laat altijd ruimte voor interpretatie. Het komt altijd goed.

Mijn dochter weet precies hoe chaotisch ik in elkaar steek. Als mijn man roept dat mama’s koffiekopje weer eens kwijt is, weet zij het meteen te vinden. Laatst nog, gevonden in de boekenkast door dochterlief. Ze ziet mij met m’n koffie door het huis lopen en dan moet ik ineens naar de wc alwaar ik bedenk dat die wel weer eens een schoonmaakbeurt kan gebruiken. Vervolgens vergeet ik mijn koffie, zet m’n kopje tussen de boeken en ga staan poetsen. Dat ben ik, ten voeten uit.

Haar georganiseer komt mij goed van pas. Zoonlief heeft nogal wat sturing nodig. Dat is jongetjes eigen heb ik mij laten vertellen. Ik had gewoon naar mijn man moeten kijken …

Tot voor kort kreeg ik altijd keurig een briefje in de bus van de middelbare school. Met daarop vermeld wat ons betreffende kind voor schriften nodig had.

Ze beginnen over een paar dagen weer met school en ik check elke dag de brievenbus. Tot dochterlief ineens tegen me zegt: ‘Zeg, heb jij eigenlijk de schoolspullen al geregeld met je zoon?’ Nee dus. Schijnt dat ze op Karamu High School verwachten dat als je eenmaal een jaar of vijftien bent en je in jaar elf belandt, je toch echt je zaken wel op orde moet hebben. Met andere woorden: zoek het zelf maar uit, je weet wat voor vakken je hebt gekozen, bedenk dan zelf maar wat voor schriften je nodig hebt. Voor wiskunde zou ik een ruitje nemen.

Het is maar goed dat mijn dochter me hier even op attent maakt.

Als ik boodschappen ga doen, moeten er natuurlijk snacks komen voor in de lunchtrommel.  ‘s middag ga ik op pad en als ik thuis kom heeft dochterlief de hele snack la en de koelkast voor me geordend. Zij zit gebakken hoor, als plan A forensisch antropologie niet lukt kan ze altijd plan B nog uitvoeren: een baan in het organiseren van andermans zaken.

Voor de grap noem ik dochterlief altijd m’n eerste pannenkoek, maar ze is allesbehalve een misbaksel. Ze is geweldig goed gelukt, een super succes.

Ze is een laaiend luksel!

 

Hoe een aardbeving ons van pas kwam

Ons huis stamt uit de zestiger jaren. Volgens het bouwrapport dat wij lieten uitvoeren alvorens we het kochten is het oerdegelijk gebouwd. De kans op instorten is echt nihil, maar bij de meest recente aardbeving kreeg ik toch ècht de schrik in m’n benen. Ze trilden gewoon, net als ons huis … wat maar bleef maar trillen en schudden. Net toen we met de voltallige familie klaarstonden om onder onze solide tafel te duiken stopte het … gelukkig.

Vóór de bewuste aardbeving hadden we na hevige regenval al de nodige moeite met het sluiten van onze voordeur. Om nog maar niet te praten over het openen. Eenmaal dicht, dan kreeg je hem zo één twee drie niet meer open. Niet dat het erg veel uitmaakt, want  onze voordeur was toch al in onbruik. Bijna iedereen maakt gebruik van de artiesteningang; de achterdeur.

Behalve de meneer die de koffie voor ons Nespresso apparaat komt afleveren, die klopt altijd netjes aan de voordeur. Een beetje onhandig, dat wel, maar met een beetje gewurm en gewrik en misschien een klein trapje hier en daar (niet doorvertellen) lukte het meestal nog wel om ons zwarte goud door de voordeur naar binnen te slepen.

Na bovengenoemde aardbeving is ie dus met geen mogelijkheid meer te sluiten. De sponning is totaal verzakt, uit z’n voegen getrild. Onze deur is uitgeschakeld. Daar laten we nog wel eens naar kijken te zijner tijd en bovendien zit er nog een hordeur voor. We denken er eigenlijk niet meer aan.

Het plan om eindelijk eens een weekendje met z’n tweetjes op pad te gaan heeft prioriteit. Het is ongebruikelijk, een unicum, nog nooit vertoond. Sinds we in Nieuw-Zeeland wonen zijn we nimmer een weekend samen op pad geweest. Natuurlijk wel eens een avondje uit, maar nog nooit zijn wij eens een weekje of zelfs maar een weekend op stap geweest met z’n beidjes. We besluiten naar Taupo te gaan, dat is de dichtstbijzijnde leuke stad. Ik struin het internet af op zoek naar een motelletje. Ik vind een knus kleintje op HeuHeu street, ongeveer vijf minuten van het centrum verwijderd. Het belooft mooi weer te worden, dus het gaat helemaal goed komen. We hebben er zin in.

Natuurlijk verwittigen wij onze buren van het feit dat wij er in het weekend niet zullen zijn. Normaal gesproken, als we met de kinderen wat dagen op pad gaan, geven wij altijd onze sleutel af en een backup van de computers, maar in dit geval gaat het maar om één nachtje, dus we zwaaien ze gewoon gedag. Ze zitten heerlijk een kopje koffie te drinken voor hun huis als we wegrijden.

Onderweg snacken we in Franse stijl. Ik heb stokbrood met heerlijke kaasjes meegenomen. Alleen het flesje wijn ontbreekt, maar ja, er moet nog gereden worden … de alcoholische versnaperingen moeten wachten tot Taupo.

Als we daar zo rond enen aankomen parkeren we en wandelen langs het kratermeer naar een restaurantje aan de waterkant. Heerlijk, manlief kan een lekker pilsje nemen en ik bestel een chardonnay.

We hebben nog niet koud ingecheckt, het is inmiddels zo rond tweeën, of mijn telefoon gaat … Wie kan dat nou zijn? Het is de buurvrouw. Aan haar gestresste stem te horen is er wat aan de hand. Ja hoor, paniek! Ik hoor lawaai op de achtergrond, ons alarm gaat af, al een tijdje. Het wil niet stoppen en ze hebben geen sleutel … Of we onze zoon er misschien eentje hebben meegegeven?  Nee, die is uit logeren en halen we pas morgen weer op, waar heeft hij een sleutel voor nodig? Het enige dat er op zit is weer naar huis te rijden, we kunnen toch moeilijk dat alarm zo laten loeien … Het is even schakelen, we hadden ons hier echt op verheugd, maar er zit niets anders op.

Dan verschijnt er een glimlach op het gezicht van manlief. Ineens realiseert hij zich dat de voordeur niet dicht zit, die ging immers niet meer op slot.

De buurman kan gewoon naar binnen en het alarm wordt uitgeschakeld. We kunnen gezellig in Taupo blijven en van ons weekend genieten. Die laatste aardbeving kwam ons  uiteindelijk goed van pas, maar we moeten zodra we thuis zijn toch maar eens een timmerman inschakelen en permanent een sleutel bij de buren ophangen …